VOEDINGSTIPS

Tips voor wielertoeristen : drank en voeding 

I. Wat moet een wielrenner eten tijdens een wedstrijd?

Wielrennen is een duursport waarbij vaak grote hoeveelheden energie worden verbruikt. Het gemiddelde energieverbruik kan worden geschat op 500 Kcal/uur (2100 kj) bij recreatiefietsers en op 1500 Kcal/uur (6300 kj) bij toprenners. In de Tour de France werd zelfs een gemiddeld energieverbruik gemeten van 5700 kcal/dag met maxima tot circa 9000 kcal/dag tijdens zware bergritten.

Mechanisme

Bij hoge intensiteit van sporten worden vooral koolhydraten verbrand omdat er per seconde uit koolhydraten meer energie kan worden vrijgemaakt dan uit vetten of eiwitten. Bovendien is voor de verbranding van vetten meer zuurstof nodig. Koolhydraten worden opgeslagen in de vorm van glycogeen in de spieren en in de lever. De opslagmogelijkheid is echter beperkt: ongeveer 100 g in de lever en 4 tot 500 g in de spieren, wat neerkomt op ongeveer 2000 kcal, voldoende om 60 à 90 minuten te fietsen aan 80% van de maximale zuurstofopnamecapaciteit.

De glycogeenreserves kunnen weliswaar door training en voeding opgedreven worden en ook het glycogeenverbruik kan via training verbeterd worden, maar de reserves blijven hoe dan ook beperkt. De bloedbaan bevat een kleine hoeveelheid koolhydraten (het bloedglucosegehalte). Gaat de inspanning door wanneer de lever en spierglycogeenreserves zijn uitgeput dan kan een laag bloedsuikergehalte optreden (vermoeidheid, duizeligheid, misselijkheid, ...). Zodra tijdens inspanning de voorraad glycogeen is uitgeput, wordt volledig overgeschakeld op vet- en eiwitverbranding. Hierdoor ga je op een langzamer energiesysteem over zodat je nog slechts 50% van je maximale vermogen kunt behalen. Het is dus zaak om met een voldoende grote voorraad glycogeen aan de start te komen en de glycogeenreserves tijdens de wedstrijd voortdurend aan te vullen.

Sport - Wedstrijd

Voor een wedstrijd moet men voldoende koolhydraten (2,5 tot 3 g koolhydraten per kg lichaamsgewicht) eten om goed geladen aan de inspanning te beginnen. Men eet het best ten laatste 2 tot 3 uur voor de inspanning zodat men geen last heeft van een volle maag. De maaltijd moet vet- en vezelarm zijn omdat vetten en vezels minder snel verteren. Veel eiwitten (grote porties vlees of vis) zijn evenmin aan te raden, omdat dit uitdroging in de hand werkt. De verhouding koolhydraten : vetten : eiwitten moet ongeveer 60% : 25% : 15% zijn.

Tijdens de wedstrijd wordt aangeraden om 30 tot 60 g koolhydraten per uur te eten. Dit komt overeen met 500 ml dorstlesser (met 6% koolhydraten), 1 pakje sportgel of 1 sportreep, 1 rijpe banaan of 1 snede brood met honing, jam of stroop. Meer leidt niet tot een hogere verbranding maar verhoogt enkel de kans op maag-darmklachten.

Welke koolhydraten?

Glucose, sacharose (riet- of bietsuiker) en glucosepolymeren (dextrine-maltose) komen snel in het bloed terecht en zorgen voor hoge glucosewaarden. Ze worden door de werkende spieren opgenomen en snel verbrand. Koolhydraten zoals zuivere vruchtensuiker (fructose), galactose (een deel van melksuiker) en onoplosbaar zetmeel worden minder snel opgenomen en verbrand, en zijn daarom minder geschikt als aanvullende energiebron tijdens de sportinspanning.

Vloeibare koolhydraten

Omdat tijdens een wedstrijd ook veel vocht verloren gaat en moet aangevuld worden, ligt het voor de hand dat de aanvoer van koolhydraten én vocht gecombineerd wordt. Een oplossing van koolhydraten in water van 4 tot 8% (of 40 tot 80 g per liter water) is perfect omdat dit de opname van zowel het vocht als van de suikers maximaal toelaat.

Wanneer men minder vocht verliest (bv bij regen of koel weer), kan de sportdrank eventueel wat meer suikers bevatten (tot 15%). Té geconcentreerde drankjes (>15%) zijn niet aangewezen tijdens een inspanning. Ze zijn te stroperig, worden minder vlot opgenomen en kunnen maag-darmklachten veroorzaken.

Vaste voedingsmiddelen en koolhydraatrijke repen en gels helpen om de maag te vullen en kunnen, zeker bij langdurige inspanningen, een welkome afwisseling vormen met het vele drinken. Ze zijn echter niet noodzakelijk.

II. Wanneer en hoeveel moet een wielrenner drinken?

Tijdens één uur lichaamsbeweging verliest men gemiddeld ongeveer één liter vocht, afhankelijk van duur en intensiteit van de inspanning, warmte en luchtvochtigheid, hoogte, fysieke conditie, enz. Een wielrenner kan tijdens een wedstrijd gemakkelijk 2 à 2,5 liter per uur of 10 à 12 liter per dag verliezen. Als dat vocht niet snel aangevuld wordt, kan het tot dehydratie (uitdroging) leiden. Dat heeft verregaande gevolgen voor de prestaties. Zo kan men bij een vochtverlies van 2% van het lichaamsgewicht (dus 1.5 kg voor een persoon van 75 kg) reeds een duidelijke daling van het prestatievermogen vaststellen. Bij een vochtverlies van 5 % bedraagt de prestatievermindering zelfs 30%. Bovendien kan uitdroging ook leiden tot oververhitting of hyperthermie, wat ernstige gezondheidsletsels kan meebrengen. Daarom is het belangrijk om zowel voor, tijdens als na de wedstrijd voldoende te drinken.

Voor de wedstrijd

Het is aan te raden om 2 uur voor een wielerwedstrijd minstens 1,5 liter en 15 à 20 minuten voor de wedstrijd nogmaals ong. 0,5 l te drinken.

Tijdens de wedstrijd

Bij een wedstrijd die minder dan één uur duurt, bestaat weinig gevaar voor uitdroging. Niettemin moet u ervoor te zorgen dat u met voldoende vocht in uw lichaam begint en na afloop genoeg drinkt.

Bij langere inspanningen moet u zo vlug mogelijk na de start beginnen met drinken en dit heel de wedstrijd volhouden. Hoe meer vocht in uw maag, des te sneller de maag geledigd wordt in de darm en des te sneller het verloren vocht in uw lichaam wordt vervangen. Ga niet op je dorstgevoel af omdat het dan feitelijk al te laat is, maar houd een vast drinkschema aan en drink meteen grote hoeveelheden in plaats van vaak kleine slokjes. Een ideaal schema is 150 à 300 ml om de 15 tot 20 minuten. Hoe meer men drinkt, hoe sneller de maaglediging gebeurt. De hoeveelheid die vlot verdragen wordt varieert van 300 ml tot 600 ml, maar verschilt van persoon tot persoon. Boven 700 ml treden er vaker maag- en darmklachten op. Het drinken van grote hoeveelheden op vaste tijdstippen is alleszins iets dat tijdens de training moet aangeleerd worden.

Na de wedstrijd

Drink voor elke kilo die u kwijt bent geraakt één liter sportdrank. Begin hiermee zo snel mogelijk na aankomst.

Wat drinken?

• Om de opname van vocht tijdens het sporten te bevorderen en een opgeblazen gevoel te vermijden, is het het beste een isotone of een hypotone drank (die resp. dezelfde of minder opgeloste deeltjes bevatten dan het bloed) te gebruiken. Hypertone (zeer suikerrijke) dranken (zoals fruitsap en frisdrank) vertragen niet alleen de maaglediging, maar zorgen in de dunne darm voor een afscheiding van vocht in plaats van een opname. Hierdoor verhoogt het risico op uitdroging.

• Dranken die natrium (dat bij het transpireren vooral verloren gaat) bevatten (1 à 2g zout per liter), zorgen voor een sneller herstel van de vochtbalans, omdat u dorstig blijft en de urineproductie wordt vertraagd. Een goede sportdrank moet ook 6-8% glucose of sucrose bevatten, omdat deze koolhydraten energie voor de spieren leveren, de opname van vloeistof door de darmen bevorderen en de smaak verbeteren.

• Vermijd alcohol en cafeïnehoudende dranken, omdat die de urineproductie bevorderen en tot verdere uitdroging leiden.

• Matig koude dranken (10°C tot 15°C) genieten de voorkeur omdat ze sneller de maag verlaten en dus sneller worden opgenomen. Bovendien hebben zij een warmteregulerend effect: een koude drank warmt op in het maagdarmkanaal, waardoor het lichaam warmte kan afgeven.

• De drank moet aangenaam smaken.

III. De ideale dorstlesser voor sporters

Tot een duurinspanning van 1/2 - 1 uur zijn geen speciale drankjes nodig. Meestal volstaat gewoon water. Als de duurinspanning langer duurt, verdient een rehydraterende sportdrank of dorstlesser de voorkeur. Dé ideale dorstlesser die in alle omstandigheden aan alle eisen en voor iedereen voldoet bestaat niet. Toch zijn er een aantal basisvereisten waaraan een rehydratiedrank moet voldoen.

Smaak

Om goed gehydrateerd te blijven, vooral tijdens lange duurevenementen, moeten aanzienlijke volumes vocht worden ingenomen. Studies hebben aangetoond dat een drankje dat lekker smaakt (en geen gas bevat), vlotter binnengaat.

Koolhydraten (suikers)

Koolhydraten in een sportdrank helpen het bloedglucosegehalte in stand houden, vermoeidheid uitstellen en dus prestaties verbeteren. De aanbevolen hoeveelheid koolhydraten in een rehydrerende drank schommelt tussen 4 en 8% (40 en 80 g/liter). Bij warm weer moet minder geconcentreerd gedronken worden dan bij koud weer. Concentraties hoger dan 10% vertragen de maaglediging en kunnen maagdarm-klachten veroorzaken. Dranken die meer dan 10% koolhydraten bevatten worden dan ook niet beschouwd als rehydratiedranken maar wel als energiedranken. Ze zijn aangewezen bij minimaal vochtverlies (bv. koud weer) en wanneer extra koolhydraten nodig zijn.

Het soort suiker heeft weinig invloed op de vochtopname. Uitzonderingen hierop zijn fructose en galactose, die de opname van vocht vertragen en maagdarm-klachten (diarree) kunnen veroorzaken.

Hypotoon / Isotoon

Dit duidt op het aantal deeltjes in een drank. Een hoge osmolaliteit of osmotische druk betekent dat er veel deeltjes (suikers, mineralen) in zitten. De osmotische druk van een drank bepaalt in welke richting de vloeistof zich door een celmembraan (bv. de darmwand) verplaatst. Drinkt men iets met een relatief grote osmotische druk, dan stroomt er water vanuit de bloedbaan en darmwandcellen naar de darmen. Bij een drank met een relatief lage osmotische druk is de richting omgekeerd: nu wordt er water (het drankje) uit de darmen opgenomen in de darmwandcellen en bloedbaan.

Om de opname van vocht tijdens het sporten te bevorderen en een opgeblazen gevoel te vermijden, is het dus het beste een isotone of een hypotone drank (die resp. dezelfde of minder opgeloste deeltjes bevatten dan het bloed) te gebruiken (osmolaliteit tussen 250 en 320 mosmol). Sterk hypotone dranken, zoals water, worden zeer snel opgenomen. Isotone drankjes hebben het voordeel dat ze meer water door de maag-darmbarrière laten.

Natrium (Zout)

Een goede dorstlesser moet een minimale hoeveelheid natrium (een bestanddeel van keukenzout) bevatten. Het verbetert de wateropname omdat natrium en koolhydraten samen geabsorbeerd worden in de darmen. Natrium stimuleert ook het dorstgevoel en zet daardoor aan tot drinken, en zorgt er voor dat vocht beter wordt vastgehouden en niet verloren gaat via urine. Als men alleen water drinkt tijdens inspanning dan zou dit de natriumconcentratie in het bloed doen dalen, met als gevolg een toename van de urineproductie en dus ook een toename van vochtverlies.

Onderzoek heeft aangetoond dat de natriumverliezen tijdens inspanning tussen de 400 en 1100 mg per liter zweet bedragen. Idealiter zou een sportdrank ongeveer 2,4 g NaCl (keukenzout) per liter moeten bevatten. Verdunde oplossingen van vruchtensappen of softdrinks voldoen niet aan die eis. Ook de commerciële sportdranken bevatten meestal minder NaCl.

De andere elektrolyten (o.a. Calcium, Kalium, Magnesium en Chloor) zijn minder belangrijk. Bovendien verhogen ze de osmolaliteit met mogelijke maagdarmproblemen tot gevolg. Tenzij in extreme omstandigheden is het verlies aan elektrolyten tijdens inspanning zo miniem, dat ze gerust na de inspanning kunnen aangevuld worden.

Recept voor een zelfbereide dorstlesser:

1l plat water of thee

45 g suiker (ongeveer 3 afgestreken eetlepels),

2 g keukenzout (1 afgestreken theelepel).

Voor de smaak kan je eventueel een beetje citroensap, of een eetlepel Roosvicee (10 g koolhydraten extra) toevoegen.

IV. Zin en onzin van Sportdranken

Sportdranken zijn in. Ze worden niet alleen gebruikt door topsporters, maar door vrijwel iedereen die op een of andere manier met sport bezig is, en zelfs door mensen die zelden of nooit aan sport doen. Volgens de producenten verbeteren ze de prestaties en bevorderen ze het herstel na een inspanning. Maar klopt dat ook? Of kan men net zo goed water of vruchtensap drinken?

Lichamelijke inspanningen gaan onvermijdelijk gepaard met vochtverlies, niet alleen doordat u zweet, maar ook doordat er water verdampt met de lucht die u uitademt. Hoe harder en langer u bezig bent, en hoe warmer en vochtiger de omstandigheden zijn, hoe meer vocht u kwijtraakt. Tijdens één uur lichaamsbeweging verliest de gemiddelde persoon ongeveer één liter vocht. In warme, vochtige omstandigheden kan dat het dubbele bedragen.

Waarom drinken?

Vochttekort zorgt er voor dat de spieren minder functioneren waardoor o.m. krampen kunnen optreden. Als het vocht niet snel aangevuld wordt, kan het tot dehydratie (uitdroging) leiden. Dat vermindert niet alleen het prestatievermogen, maar schaadt ook uw gezondheid.

Daarom is het belangrijk om zowel voor, tijdens als na een inspanning voldoende te drinken om het vochtverlies te compenseren. Hoe meer u zweet, hoe meer vocht u moet aanvullen.

• Bij activiteiten met een tijdsduur van minder dan een half uur is het gevaar dat u uitgedroogd raakt klein, zodat tussendoor drinken minder belangrijk is. Niettemin moet u ervoor te zorgen dat u met voldoende vocht in uw lichaam begint en na afloop genoeg drinkt.

• Bij langere inspanningen moet u proberen om zoveel te drinken als u zonder problemen aankunt: streef naar tussen 125 en 250 ml per kwartier. Een dergelijk vast drinkschema leer je best aan op training, begin er niet mee tijdens een wedstrijd.

• Hoe groter het volume van het vocht in uw maag, des te sneller de maag geleegd wordt in de darm en des te sneller het verloren vocht in uw lichaam dus wordt vervangen. Dat is de reden waarom u het best al vroeg tijdens uw lichaamsbeweging zoveel mogelijk moet proberen te drinken en daarna geregeld vocht moet blijven opnemen.

• Het is beter op geregelde tijdstippen grote hoeveelheden te drinken, dan voortdurend kleine hoeveelheden. De hoeveelheid drank die ingenomen wordt, bepaalt namelijk ook de snelheid waarmee de maag geledigd wordt en waarmee het vocht dus via de darmwand in het bloed terecht komt : hoe meer men drinkt (tot 700 ml), hoe sneller de maaglediging gebeurt. De hoeveelheid die vlot verdragen wordt varieert van 300 ml tot 600 ml, maar uiteraard zal iedereen voor zichzelf tijdens de training moeten uitmaken wat de ideale hoeveelheid is. Boven 700 ml treden er vaker maag- en darmklachten op.

• Matig koude dranken (10°C tot 15°C) genieten de voorkeur omdat ze sneller de maag verlaten en dus ook sneller worden opgenomen. Bovendien hebben zij een warmteregulerend effect: een koude drank warmt op in het maagdarmkanaal, waardoor het lichaam warmte kan afgeven. IJskoude dranken (minder dan 10°C) en erg warme dranken (meer dan 50°C) verlaten veel trager de maag. Tenslotte smaken koude dranken doorgaans beter, zodat men er spontaan meer van kan drinken.

• Wacht niet tot u dorst krijgt, aangezien dat betekent dat u al uitgedroogd bent. Dorst is geen goede graadmeter voor het gehalte aan lichaamsvocht. Uw urine vormt een betere graadmeter: ze zou waterig en bleekkleurig moeten zijn. Ziet uw urine er geel en 'dik' uit, dan kunt u uitgedroogd zijn. Ook frequent plassen wijst op een goede hydratie.

Waarom een sportdrank?

Voor de gewone amateursporter vormt water de enige echt noodzakelijke drank bij elke inspanning. Voor sporters met een intensief trainingsschema kunnen speciale sportdranken wel aangewezen zijn. Gewoon water heeft namelijk het nadeel dat het dorstgevoel snel verdwijnt, waardoor men spontaan minder zal drinken, en dat de urineproductie wordt gestimuleerd, waardoor men bijkomend vocht verliest. Ook voor de amateursporter die langer dan één uur intensief sport, kan een speciale rehydraterende sportdrank (of dorstlesser) aangewezen zijn. Deze bevatten (een beperkte hoeveelheid) koolhydraten, zodat de glycogeenreserves van het lichaam gespaard worden en de bloedglucosespiegel op peil blijft. Dit is belangrijk (vooral voor inspanningen die langer dan één uur duren) omdat glycogeen en glucose de belangrijkste energieleverancier is. En tekort aan koolhydraten heeft onvermijdelijk een negatieve weerslag op de prestaties. Ze bevatten ook mineralen (elektrolyten) zoals Natrium (Na+), Kalium (K+), Magnesium (Mg2+) en Chloor, waardoor het vocht sneller in het bloed opgenomen wordt dan bij gewoon water, en het bloedvolume beter gehandhaafd blijft. Vooral dat laatste is belangrijk bij langdurige inspanningen die gepaard gaan met veel vochtverlies. Andere substanties worden vaak toegevoegd, maar dat is grotendeels om de smaak van de drank of de houdbaarheid te verbeteren (bv. citroenzuur).

Als algemene richtlijn kan worden gegeven:

• Tot een duurinspanning van 1/2 - 1 uur is geen speciaal drankregime nodig. In veel gevallen kan volstaan worden met water.

• Als de duurinspanning langer duurt, verdienen sportdranken de voorkeur.

• Drink zo'n 1/4-1/2 uur voor aanvang van de duurinspanning zo'n 250-500 ml.

• Drink ieder kwartier of om de 5 kilometer 150-200 ml.

• Zorg ervoor dat de drank die je drinkt koel is (zo'n 12-15°C).

Welke sportdrank?

De ideale sportdrank die in alle omstandigheden aan alle eisen voldoet bestaat niet. Bovendien zijn er persoonsgebonden verschillen en verschillende omstandigheden waarin men sport, zodat de concrete aanbeveling van persoon tot persoon en van tijdstip tot tijdstip kan verschillen.

Sportdranken worden vaak in twee categorieën ingedeeld: dorstlessers of rehydraterende dranken en energiedranken. Wanneer een drank 40 tot 80 gram koolhydraten per liter bevat, wordt het een dorstlesser genoemd. Onderzoek heeft aangetoond dat een drank die 60 tot 80 gram koolhydraten per liter bevat in veel gevallen ideaal is voor de aanvoer van zowel vocht als energie. Een energiedrank bevat tussen 80-200 gram koolhydraten. Het nadeel van een energiedrank is dat deze de maaglediging kan remmen en daardoor de vochtopname kan remmen. Energiedranken zijn daarom alleen geschikt in situaties met minimaal vochtverlies (bv. koud weer) maar waar vooral een bijkomende aanvoer van koolhydraten nodig is.

Hypotoon, Isotoon, Hypertoon

Een belangrijke factor bij de keuze van een sportdrank is de osmolaliteit of de osmotische druk. Dit duidt op het aantal deeltjes in een drank. Een hoge osmolaliteit betekent dat er veel deeltjes in zitten. Osmose is het verschijnsel dat water beweegt tussen de binnenzijde en buitenzijde van de celwand. Het water beweegt van het deel met minder opgeloste stoffen naar het deel met meer opgeloste stoffen. De osmotische druk van een drank bepaalt in welke richting de vloeistof zich door een celmembraan heen (bijv. de darmwand) verplaatst. Drinkt men iets met een relatief grote osmotische druk, dan stroomt er water vanuit de bloedbaan en darmwandcellen naar de darmen. Bij een drank met een relatief lage osmotische druk is de richting omgekeerd: nu wordt er water (het drankje) uit de darmen opgenomen in de darmwandcellen en bloedbaan.

Op dit verschijnsel is het verschil in sportdrankjes hoofdzakelijk gebaseerd. De hoeveelheid opgeloste stoffen in sportdrank (zouten en suikers) wordt aangegeven met de termen hypotoon, hypertoon en isotoon.

1.Een hypotone drank heeft een relatief lage osmotische druk, wat betekent dat hij per 100 ml minder deeltjes (suikers en elektrolyten) bezit dan de eigen vochten van het lichaam. Doordat de drank meer verdund is, wordt hij sneller opgenomen dan water. Gemiddeld bevat een hypotone drank minder dan 4 g suiker per 100 ml.

2. Een isotone drank heeft dezelfde osmotische druk als het lichaamsvocht, wat betekent dat hij ongeveer hetzelfde aantal deeltjes (suikers en elektrolyten) bevat per 100 ml en daardoor even snel of sneller wordt opgenomen dan water. De meeste commerciële isotone dranken bevatten tussen 4 en 8 g suiker per 100 ml. In principe vormen isotone dranken het ideale compromis tussen het weer aanvullen van vocht en energie. Of u een hypotone dan wel isotone drank kiest, is tot op grote hoogte een kwestie van persoonlijke smaak. Sommigen vinden een isotone drank te geconcentreerd of krijgen er buikpijn van.

3. Een hypertone drank heeft een grotere osmotische druk dan het lichaamsvocht, aangezien hij per 100 ml meer deeltjes (suikers en elektrolyten) bevat, dat wil zeggen, geconcentreerder is. Daardoor wordt hij langzamer opgenomen dan gewoon water. Een hypertone drank bevat doorgaans meer dan 8g suikers per 100 ml.

De osmolaliteit van een drank kan een effect hebben op de maaglediging. Een hypertone drank zal langer in de maag blijven en daardoor minder vocht toevoeren dan een isotone of hypotone drank. Dranken met een hele hoge osmolaliteit moeten daarom vermeden worden, zeker in warme weersomstandigheden. Bovendien verhogen ze het risico op maag- en darmklachten. Om die reden is vruchtensap geen goede sportdrank omdat de osmolaliteit veel te hoog ligt. Bovendien kan de aanwezige fructose voor darmklachten zorgen. Indien je toch vruchtensap drinkt, moet je het verdunnen met gewoon water.

Soorten koolhydraten

De meest voorkomende koolhydraten in sportdranken zijn glucose, fructose (vruchtensuiker) en maltodextrines. Een aantal dranken bevatten zetmeel (bv. Isostar Long Energy) of sucrose (bv. Gatorade).

Maltodextrines en glucose zijn de beste energiebronnen en deze moeten het hoofdbestanddeel van de koolhydraten vormen.

Glucose (en saccharose) hebben het nadeel dat ze heel zoet zijn en een hoge osmolariteit hebben. Een oplossing van meer dan 5,5% glucose wordt hypertoon.

Maltodextrine is een goede koolhydraatbron omdat het minder effect heeft op de osmolaliteit dan glucose en omdat het bijna geen smaak heeft. Zeker voor hoge concentraties koolhydraten verdienen maltodextrines de voorkeur.

Fructose heeft een zoete, fruitige smaak, maar heeft als nadeel dat het maag-darm problemen veroorzaakt wanneer het in grotere hoeveelheden wordt geconsumeerd. Daarnaast wordt fructose ook minder snel geoxideerd in het lichaam. Een kleine hoeveelheid fructose wordt vaak toegevoegd voor de smaak.

Natrium

Natrium is een essentieel bestanddeel van een sportdrank. Het verbetert de wateropname omdat natrium en koolhydraten samen geabsorbeerd worden in de darmen. Voor de absorptie van elke molecule glucose is een molecule natrium nodig. Wanneer glucose en natrium over de darmwand worden getransporteerd gaat dit gepaard met een beweging van water in dezelfde richting (osmose). Natrium en glucose trekken als het ware water met zich mee.

Ten tweede stimuleert natrium het dorstgevoel en zet daardoor tot drinken.

Ook zorgt natrium er voor dat vocht beter wordt vastgehouden in het lichaam en niet verloren gaat via urine. Als men alleen water drinkt tijdens inspanning dan zou dit de natriumconcentratie in het bloed doen dalen, met als gevolg een toename van de urineproductie en dus ook een toename van vochtverlies.

Onderzoek heeft aangetoond dat de natriumverliezen tijdens inspanning tussen de 400 en 1100 mg per liter zweet bedragen. De inname van natrium zou daarom tussen de 400 en 1100 mg moeten liggen. Teveel natrium kan de maaglediging vertragen door een toename van de osmolaliteit.

Idealiter zou een sportdrank ongeveer 2,4 g NaCl (keukenzout) per liter moeten bevatten. Verdunde oplossingen van vruchtensappen of softdrinks voldoen niet aan die eis. Ook de commerciële sportdranken bevatten meestal minder NaCl.

Andere elektrolyten

De andere elektrolyten (o.a. Calcium, Kalium, Magnesium en Chloor) zijn minder belangrijk dan natrium. Bovendien verhogen ze de osmolaliteit met mogelijke maagdarmproblemen tot gevolg.

Tenzij in extreme omstandigheden is het verlies aan elektrolyten tijdens inspanning zo miniem, dat ze gerust na de inspanning kunnen aangevuld worden. Alleszins mag de hoeveelheid elektrolyten in een sportdrank niet hoger liggen dan wat normaal verloren gaat. Zo is bijvoorbeeld de aangeraden hoeveelheid kalium in sportdranken is 121- 225 mg per liter. Er zijn sportdranken op de markt die meer dan 5 keer zoveel kalium bevatten.

Vitamines

Vitamines hebben geen enkele functie in een sportdrank. Een vitaminetekort ontstaat niet binnen een tijdsspanne van enkele uren en een extra vitamineopname tijdens een inspanning heeft geen enkele invloed op het prestatievermogen. Bovendien verhogen vitamines de osmolaliteit van de drank, en hebben dus een negatieve invloed op de maaglediging.

Zuurtegraad

Vaak wordt citroenzuur of andere organische zuren toegevoegd om de smaak te verbeteren en de houdbaarheid te verhogen.

Een verhoogde zuurtegraad remt echter de maaglediging en kan maag-darmproblemen veroorzaken. Bovendien is een hoge zuurtegraad schadelijk voor het gebit.

De ideale dorstlesser tijdens sportbeoefening

• smaakt goed

• bevat 60 tot 80 gram koolhydraten

• 40-110 mg% natrium

• 12-22,5 mg% kalium

• heeft een osmolaliteit van <500 mOsmol/l

• bevat geen andere toevoegingen (gas, cafeïne, alcohol, ...).